Wat werkelijk geleefd heeft, hoeft niet te blijven bestaan in dezelfde vorm om waar te zijn geweest.
Een bloem verraadt haar bloei niet wanneer haar blaadjes vallen.
De zee verraadt de golf niet wanneer zij haar terugneemt.
En wij verraden ons verleden niet wanneer we eindelijk erkennen:
dit heeft zijn tijd gehad.
Sommige vormen worden te klein voor wat in ons gegroeid is.
We kunnen proberen onszelf er opnieuw in te vouwen.
Nog wat aanpassen.
Nog wat verdragen.
Nog wat langer hopen dat het oude opnieuw zal voelen zoals vroeger.
Maar soms is liefde juist: niet meer reanimeren wat voltooid is.
Niet uit boosheid.
Niet uit afwijzing.
Maar uit eerbied voor wat het geweest is.
Ik voel dat op verschillende plaatsen in mijn eigen leven.
Er zijn deuren die sluiten.
Verhalen waarvan ik niet langer dezelfde bladzijde hoef te lezen.
Verbindingen die misschien niet verdwijnen, maar wel een andere plaats krijgen.
En vreemd genoeg ontstaat daar geen leegte.
Er ontstaat ruimte.
Ruimte waarin mijn adem weer dieper kan zakken.
Ruimte waarin ik niet voortdurend hoef terug te keren naar wie ik vroeger was.
Ruimte voor een leven dat niet langer gebouwd hoeft te worden rond oude pijn.
Misschien is dat wat sterven in zijn zachtste betekenis is:
niet vernietiging, maar vormverandering.
Wat liefde was, mag liefde blijven.
Wat geleerd werd, mag meegaan.
Wat pijn deed, hoeft niet ontkend te worden.
Maar de vorm zelf?
Die mogen we soms teruggeven aan de tijd.
Zodat onze handen weer vrij worden.
Niet om onmiddellijk iets nieuws vast te grijpen.
Maar om even open te zijn.
Voor het onbekende.
Voor de adem.
Voor het leven dat zich misschien al die tijd
achter onze oude vormen aan het ontvouwen was.
Laat oude vormen sterven.
Niet omdat ze waardeloos waren.
Maar omdat je niet alles wat ooit heilig was
voor altijd hoeft vast te houden.
Sommige dingen eren we het diepst door ze vrij te laten.
En misschien ontdekken we dan:
wat werkelijk liefde was, is helemaal niet gestorven.
Alleen de vorm waarin we haar kenden.
Met eerbied.
Evelien Ari’Elune


